Mostrando postagens com marcador Ofening niveau A1. Mostrar todas as postagens
Mostrando postagens com marcador Ofening niveau A1. Mostrar todas as postagens


1 Woordenschat Groep 5 Thema 4, les 2
Deze woorden leer je vandaag:het antwoordbeantwoordenalfabetischde legendahet alfabetbesprekenhet telefoonboekspeuren
2 het alfabet
3 het alfabetAlle letters op een rij van A tot Z.
4 alfabetisch Dit betekent dat de woorden staan in de volgorde
van het alfabet, dan kun je het makkelijk vinden.
5 het antwoordDit is de oplossing op een vraag.
6 bespreken Je praat erover, je overlegt samen of het goed is
Of wat je ervan vindt of wat je gaat doen.
7 beantwoordenAntwoord geven op een vraag.
8 de legendaDe uitleg bij een kaart. Bijvoorbeeld dat blauw water is of wat bepaalde tekens betekenen.
9 speurenHeel goed zoeken, je let goed op of je het ziet.

10 het telefoonboekIn dit boek kijk je als je een telefoonnummer van iemand wilt weten. Om het makkelijk te maken staan de namen op alfabetische volgorde.




1 Woordenschat Groep 5 Thema 4, les 3
Deze woorden leer je vandaag:de advertentiede taalhet artikelhet werkwoordhet zinsdeelde nieuwskringbladerende schoolkrantde klank
2 de nieuwskring
3 het artikelEen stuk tekst in een krant of tijdschrift.
4 de advertentieEen stukje in de krant om iets te koop aan te bieden.
5 de taalEen …. bestaat uit letters, woorden en klanken, door taal kunnen mensen met elkaar praten/ communiceren.
6 het werkwoordEen doewoord, je kunt het doen.
7 het zinsdeelEen deel van een zin.
8 de nieuwskringEen kring waarin kinderen iets vertellen over het nieuws.
9 de klankDe manier waarop iets klinkt.
10 bladerenBladzijden achter elkaar omslaan.

11 de schoolkrantDe krant van de school.


1 Woordenschat Groep 5 Thema 4, les 6
Deze woorden leer je vandaag:het journaalhetoplezenplechtigsprekende toonde televisieverstaande verteller
2 het journaal
3 het journaal Een programma op de televisie waarin verteld wordt
wat er die dag in de wereld is gebeurd.
4 oplezenHardop lezen wat op een blaadje of in een boek staat.
5 plechtigNetjes en ernstig.
6 sprekenEen ander woord voor praten.
7 de televisie Een apparaat met een beeldscherm
waar je programma’s mee kunt bekijken.
8 de toonDe manier waarop je iets vertelt.
9 verstaanAls iemand duidelijk, netjes en in dezelfde taal praat, weten mensen wat er bedoeld wordt.

10 de vertellerIemand die iets vertelt. Dit kan een spannend verhaal zijn wat hij of zij uit zijn hoofd vertelt.

Dit is oefening 1 van module 1. Succes!


luisteren en lezen 

escultar e ler 









DIT WAS DE OEFENING 1

WIL JE NOG  OEFENING DOE  CLIK NAAE LINK